Latere generaties zijn hierop teruggekomen en hebben geschiedschrijving gepromoveerd tot wetenschap. Weliswaar een die anders dan de exacte vakken niet noodzakelijkerwijs tot een eenduidige objectiveerbare waarheid of door iedereen onderschreven beeld leidt, maar wel tot een discipline met deugdelijke methodes en intersubjectieve conclusies die de toets der kritiek kunnen doorstaan. Zodra politici zich van historische argumenten gaan bedienen, blijft er echter vaak weinig over van de wetenschappelijk verantwoorde feitelijkheid.
Dat blijkt als de Russische president Vladimir Poetin zich op historische argumenten beroept, zoals hij 20 juni van dit jaar deed op het Internationaal Historisch Forum in St. Petersbrug, waar hij beweerde dat Russen en Oekraïners één volk vormen en dat Oekraïne dus ‘van ons’ is. Hij herhaalt daarmee wat hij in een meer uitgewerkt essay in juli 2021 schreef, namelijk dat Oekraïne, Belarus en Rusland van oudsher een geheel vormen, cultureel en geografisch. Daarom heeft Oekraïne geen bestaansrecht als onafhankelijke staat.
Als bewijs voor zijn claim dat deze gebieden een natuurlijke eenheid vormen, voerde Poetin onder meer aan dat de inwoners ervan dezelfde taal spraken, zij het met enige dialectische schakering. Nationalistische Oekraïense en Belarussische sentimenten zouden pas opgekomen zijn toen de heersers van het Pools-Litouwse Gemenebest (1569-1795) en hun Oostenrijks-Hongaarse opvolgers, de bewoners van de door hun bezette gebieden opzetten tegen hun Russische broeders aan de andere kant van de Dnjepr. Oekraïens en Belarussische nationalisme komt dus niet van de bevolkingen zelf, claimt Poetin, maar is hun ingeblazen door buitenlandse mogendheden die de macht van Moskou wilden beknotten. Daarom is het in zijn optiek terecht dat Rusland al meer dan twee eeuwen lang probeert de Oekraïense identiteit en taal uit te roeien. Dat de geschiedwetenschap evenwel prioriteit geeft aan het Kyivse Roes (862-1242) en niet aan het Russische Moskou, daaraan wil Vladimir Poetin liever niet herinnerd worden.
De Russische president is overigens, helaas, niet de enige die de geschiedenis herinterpreteert ten behoeve van door hem gewenste politieke conclusies. Op 4 maart van dit jaar zei president Trump, in zijn toespraak tot het Congress: ‘The Panama Canal was built by Americans for Americans, not for others, but others could use it.’Dat het Panamakanaal uiteindelijk gegraven is onder leiding van een Amerikaanse firma is correct. Dat het kanaal bedoeld was voor Amerikanen en dat anderen het hooguit mochten gebruiken, is een herinterpretatie van het Hay-Bunau-Varilla-verdrag uit 1903 die niet door de tekst gesteund wordt en laat het in 1977 gesloten verdrag, waarbij alle rechten per 1999 aan Panama werden overgedragen, volledig buiten beschouwing.
Ook Viktor Orban voedt zijn nostalgisch nationalisme met revisionistische interpretaties. De Hongaarse premier grijpt terug op het verdrag van Trianon (1920) waarbij Hongarije een groot gedeelte van zijn gebied moest afstaan aan Slowakije, Roemenië, Oekraïne en Servië. Orban bestempelt dit als een groot onrecht dat de Hongaren is aangedaan en hij komt op voor de Hongaarse minderheden in die vier landen. Met geld, paspoorten en stemrecht. Hij houdt de Hongaren een beeld voor alsof zij nog steeds slachtoffers van WOI zijn en slecht behandeld door de overwinnaars.
Poetin gaat echter veel verder dan Orban, wiens politieke ruimte binnen de EU en de NAVO beperkt is. De Russische president beoogt een herstel van het oude communistische en eerdere tsaristische rijk en richt zijn pijlen op Oekraïne, Moldavië, Georgië en wellicht ook de Baltische staten. Voor intern gebruik verheerlijkt hij daarbij de Stalintijd, verdoezelt de vervolgingen en de slachtoffers uit die periode, en overdrijft de chaos die er onder zijn voorganger Boris Jeltsin heerste.
De vraag naar de waarde van het verleden voor de politiek is niet uitsluitend een zaak voor autocraten, ook in mainstream politiek wordt die gesteld. Na de opname in 2004 van een aantal voormalige Oostbloklanden in de EU brandde in het Europees Parlement een discussie los over het Europese verleden. Was Stalin erger dan Hitler of omgekeerd? Onderliggend was hierbij de vraag of het communisme waaronder de nieuwe lidstaten zo geleden hadden, niet de overtreffende trap van misdadigheid is. Na uitvoerige discussie stelde het Europees Parlement in 2009 dat de herinnering aan beide totalitaire regimes levend gehouden moest worden. De unieke misdaad van de Holocaust werd daarbij apart genoemd, maar ook werd helder vastgesteld dat de toegetreden landen onder beide totalitaire regimes geleden hadden. De belangrijkste opmerking was evenwel dat de politiek niet de plaats moest innemen van professioneel en onafhankelijk historisch onderzoek.
Dat is een conclusie die niet vaak genoeg herhaald kan worden, zeker nu autocraten van het type Poetin hun herschrijving van het verleden met alle propagandistische middelen die hen ten dienste staan tot nieuw narratief proberen uit te roepen en daarmee trachten hun politiek van argumenten te voorzien. Daarom is het van het grootste belang dat het vrije Westen de wetenschappelijke beoefening van de geschiedwetenschap blijft steunen en bevorderen en de resultaten ervan aan media en onderwijs beschikbaar laat stellen. Leugens kunnen niet ontzenuwd worden door ze te negeren. Ze moeten weersproken worden en weerlegd door de waarheid te onthullen. Ook al is die waarheid nooit helemaal objectief vast te stellen. Historici kunnen van mening verschillen over welke feiten het meest van belang zijn. De feiten zelf zijn echter uitkomst van wetenschappelijk verantwoord onderzoek en staan dus niet ter discussie. Die feiten moeten in stelling gebracht worden tegen degenen die het verhaal van de geschiedenis proberen te herschrijven.